Geschiedenis

In hun werk ‘De Uithangteekens’ wijden Jacob van Lennep en Jan ter Gouw enige woorden aan de gedenksteen. Zij zijn niet overtuigd van de waarde van deze stenen: ‘Gedenksteenen ter herinnering van het leggen van den eersten steen in de gevels of zijmuren van huizen gemetseld, zijn bij honderden te vinden; doch zij leveren niets merkwaardigs op, dan een nieuw bewijs van de ijdelheid der menschen, die aan den voorbijganger meenen te moeten verkondigen wat hem geen oortje schelen kan.’ (Van Lennep en Ter Gouw, p. 349). Wij zijn echter wél overtuigd van hun waarde. Bij veel individuele stenen levert onderzoek naar de relatie tussen pand en steenlegger soms verrassende stukjes stadsgeschiedenis op. En als collectie maken zij deel uit van de bouw- en woongeschiedenis van de verschillende stadsbuurten.

Overigens erkennen Van Lennep en Ter Gouw dat voor de kennis van middeleeuwse gebouwen de eerste stenen wel enig belang hebben: ‘De belangrijkste steenen zijn die, welke men aan zeer oude gebouwen vindt en die ons den juisten tijd der stichting aangeven, omtrent welken wij anders wellicht in ‘t onzekere zouden kunnen verkeeren. ‘t Gebeurt somtijds zelfs, dat ‘t gebouw reeds geheel verdwenen is, terwijl de steen nog is overgebleven.’ (Van Lennep et al, p. 350). Een voorbeeld van zo’n verdwenen gebouw is het Huiszitten-pakhuis, dat lag op de hoek van de Nieuwezijds Achterburgwal (nu Spuistraat) en de Korte Huiszittensteeg. In 1895 verdwenen bij de aanleg van de Raadhuisstraat de Huiszittensteeg en in het verlengde daarvan de Korte Huiszittensteeg. Het pakhuis werd daarbij gesloopt, maar de gedenksteen bleef behouden; hij bevindt zich nu in het depot van het Amsterdam Museum.

Het leggen van een eerste steen

Een gedenksteen van een eerste steenlegging (verder: eerste steen) is een gevelteken. De voornaamste geveltekens zijn gevelstenen, gedenkstenen (verwijzingen naar een historische persoon of gebeurtenis), jaartalstenen en decoratieve reliëfs. Meer informatie over de gevelstenen geeft de website van de Vereniging Vrienden van Amsterdamse Gevelstenen (www.amsterdamsegevelstenen.nl).

Er zijn drie redenen te onderscheiden voor het leggen van een eerste steen: 1) vanuit de gedachte dat een bouwwerk gelijk een mens een grondsteen of grondslag nodig heeft om te kunnen voortbestaan. De Bijbel zegt hierover: ‘Zie, ik leg in Sion een steen ter grondslag, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen van een vaste grondslag’ (Jes. 28:16). De oudste stenen vinden we dan ook in kerkgebouwen of gebouwen die van overheidswege werden gebouwd (de overheid ontleende haar macht immers aan God). 2) Men ziet een relatie tussen de jeugd van de mens en die van het bouwwerk, dat als het ware deel uitmaakt van de toekomst. Men sprak daarom ook wel van ‘het planten van een gebouw’. Op 28 oktober 1648, het jaar van de Vrede van Munster, wordt de bouw van het nieuwe stadhuis op de Dam weer opgepakt. Joost van den Vondel dicht in zijn ‘Bouwzang’, gericht aan de vier jonge ‘eerste Grondsteenleggers van het Stadhuis ‘t Amsterdam’, zonen en neven van de vier Amsterdamse burgemeesters: ‘Zoo leit die Jeugd den Eersten Steen/ Van ‘t Raadhuis, dat, met raad en daad/ Verstrekt een zenuw van den Staat.’ 3) Tot slot waren er bij de opdrachtgevers, bouwers en eigenaren/bewoners van het jonge pand gevoelens van trots of prestige en maatschappelijk optimisme (wat iets anders is dan ‘een bewijs van de ijdelheid der menschen’).

Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw (het begin van Amsterdams Tweede Gouden Eeuw) neemt het aantal eerste stenen in onze collectie toe. Aan deze aantallen kan men niet te veel waarde hechten: er hebben zich in de stad perioden van rigoureuze sloop en nieuwbouw voorgedaan. Veel panden zijn verdwenen, en met hen veel eerste stenen. Verder kunnen we op andere adressen een eerste steen aantreffen die daar niet oorspronkelijk heeft gezeten; vanuit een gesloopt pand kan een steen zijn overgebracht naar een andere locatie.

De eerste steen in onze collectie die bij een particulier woonhuis hoort, dateert van 1851. De eigenaar en eerste bewoner van het huis aan de Nieuwe Herengracht 51 is een Amsterdamse arts (‘medisch doctor’). Daarna groeit het aantal stenen van burgerhuizen met sprongen. In 1759 komt het eerste meisje voor in onze lijst van steenleggers: Maria Cornelia Schager slaat de eerste spijker in van een huis in de Pijlsteeg (nu achter Hotel Krasnapolski), weliswaar samen met haar broer Johannes Hendericus.

Naast eerste stenen zijn ook stenen van ver- of herbouwingen en stenen van inmiddels verdwenen gebouwen in het register opgenomen. Indien relevant wordt ook wel een steen besproken die fysiek is verdwenen.

 

Stenen, spijkers, palen, troffels, mozaïeken en nog veel meer

Naast de traditionele eerste steen in het fundament van een bouwwerk, al of niet vergezeld van een opgerold document (‘ten behoeve van het nageslacht’), kende men ook andere procedures en attributen. Met name voor de stichting van belangrijke gebouwen werden zilveren troffels gebruikt, samen met een mooie houten speciebak. Een tekst op de vaak fraai bewerkte troffel memoreerde het leggen van de ‘eerste grondsteen’, zoals die van het stadhuis (nu paleis) op de Dam en van het Wilhelmina Gasthuis. De steen in de Pijlsteeg maakt melding van een eerste spijker. Voor een pand in Rapenburgerstraat 109 is sprake van een eerste paal. Ook een tekst in de terrazo-mozaïekvloer van de erehal in het Rijksmuseum herdenkt het slaan van de eerste paal. De herbouw van het Scheepvaartmuseum op het Kattenburgerplein werd in 2009 feestelijk ingeluid met vier (geheel onschuldige) kanonsschoten. En voor gebouwen in onze tijd worden soms ludieke ceremonies gehouden, zoals het plaatsen van een object in de ruimte. Een enkele keer vervangt een oorkonde bovengenoemde attributen. Al deze ceremonies zijn feestelijk en letterlijk opbouwend. Het kan ook anders: in 2006 ging de verbouwing van het Stedelijk Museum van start. Op 9 oktober 2006 wierp de Amsterdamse wethouder van Cultuur mw C. Gehrels met veel enthousiasme als eerste een steen door de ruit van de te slopen Sandberg-vleugel. Haar ‘eerste steen’ werd hiermee een projectiel, en geen hoeksteen.

Nog steeds wordt de geboorte van een nieuw bouwwerk of een nieuwe constructie op ceremoniële wijze gevierd. Het kan hierbij gaan om een gebouw, maar ook om een brug, een sluis of een ander object. In 2010 werden de twee tunnelboormachines van de Noord-Zuidlijn door de deken van de Sint-Nicolaasparochie ingewijd (de H. Nicolaas is immers de beschermheilige van Amsterdam). Er werd voor het tracé dus geen eerste steen gelegd, maar wel werd er een beeldje van de Heilige Barbara, patrones van de tunnelbouwers, bij de boormachines in de schacht onder het Damrak geplaatst. En net als een traditionele steenlegging, maakt ook deze plechtige en feestelijke handeling deel uit van de bouwgeschiedenis van Amsterdam.

 

 

 

 

 

 

Bronnen:

Over gedenkstenen:

Onno W. Boers, De gevelstenen van Amsterdam (Hilversum 2007).

Jacob van Lennep en Jan ter Gouw. De uithangteekens. In verband met geschiedenis en volksleven beschouwd, 2 delen (Amsterdam 1867-1869).

Bert Sliggers en P. van Wijngaarden, De eerste sten gelegd door… Geschiedenis en inventarisatie van de Haarlemse eerste stenen (Haarlem 1984).

Over zilveren troffels:

Margriet de Roever, Metselen met zilverwerk; troffels voor de eerste steen. In: Ons Amsterdam, nr 2, februai 2003.

Hubert Vreeken et al. Goud en zilver met Amsterdamse keuren. De verzameling van het Amsterdams Historisch Museum (Zwolle 2003).

Verder:

Het Parool, 11 maart 2010.