Waterlooplein 211-213

Waterlooplein 211-213, Catharina Judith in de Betouw, 20 juni 1769

Gebouwt, ten behoeve van de Oudezijds
Huis-zitten-Aalmoesseniers-Armen
In den Jaare 1769
Doe regenten waaren de ter zijden gemelde,
en is, op Dingsdag den 20 Juny des zelven jaars
den eersten steen gelegt,
door Catharina Judith in de Betouw
oudt 3 jaaren dogter van den regent
Hermannus in de Betouw.

Datum van steenlegging

20 juni 1769

Steenlegger(s)

Catharina Judith in de Betouw

Achtergrond steenlegger(s)

Catharina Judith in de Betouw (Amsterdam 18 april 1766) was de dochter van de uit Venlo afkomstige wijnhandelaar Hermannus in de Betouw. Hermannus was een van de zes regenten van het Oudezijds Huiszittenhuis. Aan weerszijden van de tekst staan de namen, familiewapens en datum van het in functie treden van de zes regenten. Hermannus trad in 1760 aan.
De familienaam 'In de Betouw' is waarschijnlijk afgeleid van een witte wijnsoort uit de Franse Poitou. De voorzaten van de familie zouden vervoerders (Maasschippers) en verhandelaars van deze wijn zijn. In 1615 schreef G.A. Bredero in zijn toneelwerk 'Moortje': '(-), In dan droncke wij de Betouw, en de wijn so lustich als water'.


Pand

De steen zit sinds 1957 in de zijwand van het voormalige Oudezijds Huiszittenhuis, dat in 1654 werd gebouwd als zetel voor de Oudezijds Huiszittenmeesters. Dit college hield zich bezig met de armenzorg. Vanuit hun kantoor verzorgde men het uitdelen van voedsel en brandstof aan de armen van de stad. Sinds 1946 is hier de Academie voor Bouwkunst gevestigd. De Academie van Bouwkunst is een hogeschool voor architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur, die in 1908 opgericht werd door architectuurgenootschap Architectura et Amicitia (Wikipedia).

Enige termen:
De term 'Oudezijds' verwijst naar de locatie van het pand: aan de Oudezijde, dit is de oostelijke zijde van de Amstel.
Huiszitters of huiszittende armen waren arme mensen die niet dakloos waren en ook niet in een instelling verbleven maar in hun eigen huis woonden.
Een aalmoezenier was een kerkelijke functionaris die zich bezighield met de zorg voor armen en behoeftigen.

Steen

Na enige omzwervingen kreeg de gedenksteen zijn definitieve plaats aan het Waterlooplein. De fraai bewerkte gedenksteen is afkomstig van de stal van herberg De Zeeburg, gelegen langs de Zeeburgerdijk nr 321. De oorspronkelijke stal werd in 1769 vervangen door een nieuwe stal, die op zijn beurt vóór 1936 werd gesloopt. De gedenksteen kwam daarna terecht in de gevel van een huis dat toebehoorde aan Rijkswaterstaat, Zeeburgerdijk 192. In 1956 werd ook dit huis gesloopt vanwege de aanleg van de Amsterdamsebrug over het Amsterdam-Rijnkanaal in 1957. Daarop verplaatste het Bureau Monumentenzorg de steen naar zijn huidige plek in het pand van de Academie van de Bouwkunst.

De herberg Zeeburg en de bijbehorende stal aan de Zeeburgerdijk waren het eigendom van het Oudezijds Huiszittenhuis. Dit huis werd in 1654 gebouwd aan de voormalige Houtgracht (nu een deel van het Waterlooplein). De Huiszittenmeesters hadden het recht op het op- en afschepen van vee dat vanuit Friesland, Gelderland en Overijssel naar Amsterdam kwam. De inkomsten werden onder meer besteed aan  voedsel (graan) en turf aan de armen. In 1610-1613 lieten de Huiszittenmeesters naast het Huiszittenhuis drie grote pakhuizen bouwen, voor het opslaan van graan en turf. De pakhuizen staan nog steeds aan het Waterlooplein; men kent hen als ‘het Arsenaal’ (als voormalige opslagplaats van het rijk van wapens).